Financiering van bijzonder onderwijs – De zaak Stichting Islamitisch Onderwijs

Twee weken geleden deed de Raad van State uitspraak over de vraag of de Stichting Islamitisch Onderwijs (SIO) per september 2017 een middelbare school mag openen in Amsterdam. De Raad oordeelde dat deze school gewoon geopend mag worden en dat de Nederlandse staat de plicht heeft om deze school ook te financieren. Dit zeer tegen de zin van demissionair staatssecretaris van onderwijs Sander Dekker, die zich fel tegen dit plan verzet heeft.

 

Wat is de regelgeving omtrent religieus onderwijs?

Een vraag die vaak gesteld wordt in dergelijke situatie is waarom de overheid zou moeten betalen voor dit soort onderwijs. In Nederland is er toch immers sprake van scheiding van kerk en staat? Dat is waar, maar het onderwijs neemt in Nederland een bijzondere, ietwat tegenstrijdige positie in. In artikel 23 van de Grondwet -artikel 23.7, voor de juridisch puristen onder ons – is namelijk opgenomen dat:

“Het bijzonder algemeen vormend lager onderwijs, dat aan de bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd. De wet stelt de voorwaarden vast, waarop voor het bijzonder algemeen vormend middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs bijdragen uit de openbare kas worden verleend.”

Simpel verwoord staat hier dat in Nederland bijzonder onderwijs, evenals openbaar onderwijs, uit de staatskas gefinancierd wordt. Onder bijzonder onderwijs valt zowel religieus onderwijs als speciale onderwijsmethoden, zoals Jenaplan en Montessori-onderwijs. De eis die de overheid daarbij mag stellen is dat het gefinancierde onderwijs aan bepaalde didactische kwaliteitseisen voldoet.

 

Wat was het probleem?

Al met al een vrij eenduidige wetgeving dus. Toch waren er in deze zaak twee problemen die voor onrust zorgden. Ten eerste was het SIO ook verantwoordelijk voor het bestuur van een andere islamitische school, die in 2010 werd gesloten omdat de kwaliteit van het onderwijs ondermaats was. De kwaliteit van het door het SIO gegeven onderwijs wordt ook betwist door andere islamitische onderwijsinstellingen. Het tweede probleem was dat een bestuurslid van het SIO in 2014 online zijn sympathie voor IS uitsprak, wat hij pas na veel druk heeft teruggetrokken. Deze persoon is inmiddels geen lid meer van het bestuur van SIO, maar zijn uitspraken zorgden ervoor dat de integriteit van het overige bestuur van SIO ter discussie kwam te staan. Of dit terecht is, is een discussie waard. Bent u medeverantwoordelijk voor de uitspraken van uw mede-bestuur of collega’s? Voor staatssecretaris Dekker was het in ieder geval meer dan voldoende om zich tegen de opening van deze school te verzetten.

Waarom staat de staat er slecht voor?

Het is niet geheel onbegrijpelijk dat de staatssecretaris zo zijn vraagtekens had bij de oprichting van deze nieuwe school. Het SIO heeft een twijfelachtige staat van dienst als het aankomt op onderwijskwaliteit. Daarnaast is sympathie met IS – zelfs van een ex-bestuurslid- natuurlijk absoluut onwenselijk. Het belangrijkste argument voor de zorgen is toch wel dat andere islamitische onderwijsinstellingen hun leerlingen hebben opgeroepen vooral niet naar deze nieuwe school te gaan. Zij vrezen voor de kwaliteit van het onderwijs wat hier gegeven gaat worden. Dit bewijst wel dat er hier niet simpelweg sprake is van een weerstand om religieus onderwijs te financieren, maar dat er gegronde twijfels over kwaliteit spelen, ook vanuit de eigen religieuze kring.

Echter, juridisch gezien heeft de Nederlandse staat geen poot om op te staan. Al deze vraagtekens vormen namelijk geen argument om deze nieuwe school uit te sluiten van overheidsfinanciering. De crux is dat een school al bewezen slecht moet presteren, voordat de overheid in kan grijpen. Het -ongewenste- gevolg hiervan is dat er dus eerst leerlingen gedupeerd moeten worden, alvorens zij goed onderwijs krijgen. Het is een vreemde tegenstelling in de wet. Leerlingen moeten eerst gedupeerd worden voordat de staat kan ingrijpen. Dat moet toch anders kunnen?

Wat als je je leerlingen niet meer begrijpt?

Uit onderzoek van Duo Onderwijsonderzoek is gebleken dat 1 op de 9 docenten in het voortgezet onderwijs “gevoelige onderwerpen” vermijdt. Het gaat dan om onderwerpen als terrorisme, homoseksualiteit, de holocaust en de politieke situatie in Rusland en in Turkije. Het belangrijkste argument dat deze docenten aandragen voor het omzeilen van dergelijke discussies is de “toegenomen tegenstelling die wordt ervaren tussen westerse en niet-westerse normen en waarden.”

Blijkbaar zijn er docenten in Nederland die zich niet veilig voelen voor de klas. Bestaat er de angst voor onrust en ruzie als men zich negatief uitspreekt over de situatie in Turkije of Rusland. De omgang met terroristische aanslagen is ook een pijnpunt. Vele leraren zullen de dag na de aanslag in Londen, vandaag een week geleden, met het lood in de schoenen voor de klas hebben gestaan. Als je voor een klas staat met bijna alleen maar islamitische leerlingen bijvoorbeeld, maar ook als je voor een klas staat met slechts één islamitische leerling. Want hoe voorkom je stigmatisering, terwijl je een onderwerp wel bespreekbaar wilt maken? Hoe geef je iedereen de ruimte?

Photo credit: Cali4beach via Foter.com / CC BY

Duidelijk is dat veel docenten in Nederland een kloof ervaren tussen henzelf en leerlingen met een niet-westerse achtergrond; een culturele kloof die zij niet kunnen overbruggen. Hiermee gepaard gaat dat ruim veertig procent van de docenten in het middelbaar onderwijs segregatie, mislukte integratie en gebrek aan respect voor elkaars achtergrond signaleert.

Juist in het onderwijs, een plek waar kinderen van verschillende achtergronden als het ware gedwongen worden om met elkaar om te gaan, zou de dialoog opengebroken moeten worden. Over religie, over culturele normen en waarden én over de meer gevoelige onderwerpen. De grootste kans op mentaliteitsverandering zit hem immers bij de jeugd. Echter, dan moet daarin wel geïnvesteerd worden; een dergelijke verandering gebeurt vaak niet uit zichzelf.

Een mogelijk middel dat hierbij zou kunnen helpen is het verwerven van kennis over de culturele achtergrond van de leerlingen waarmee de grootste kloof ervaren wordt. Waar zitten de grootste culturele verschillen? Met wat voor gedachtegoed groeien zij op? Waar liggen hún interesses? Waar baseren zij hun meningen op? Op de Nederlandse lerarenopleidingen wordt bedroevend weinig aandacht besteed aan verschillende religies en culturele achtergronden, terwijl zij eenmaal voor de klas hier wel mee te maken krijgen. Dit is alleszins oneerlijk te noemen tegenover leraren.

Laat ik duidelijk zijn: ik pleit níet voor deze kennis om leraren nog beter om de hete brij te laten draaien. Het staat buiten kijf dat leerkrachten zich veilig zouden moeten voelen, dat er niet gejuicht wordt in klassen na een terroristische aanslag en dat de holocaust onderdeel is van het Nederlands curriculum. Wel geloof ik dat leraren gebaat zouden zijn bij meer begrip omtrent de gevoeligheden van hun leerlingen. Iemand begrijpen wil niet per definitie zeggen dat je iemands ideeën accepteert. Het kan echter wel bijdragen aan het langzaamaan openen van het dialoog in de klas.

 

Hoe ga je om met gevoelige onderwerpen? Hier alvast 5 tips om te beginnen:

Photo credit: LindaH via Foter.com / CC BY

 

  1. Ik zei het eerder het al: doe kennis op. Zorg dat je begrijpt waar de mogelijke weerstand bij je leerlingen vandaan komt en hoe je hierop kunt reageren. Kennis doe je bijvoorbeeld op door jezelf een beetje bij te scholen, of door een gerichte training te volgen.
  2. Ga in discussie, maar stel van tevoren duidelijke grenzen. Voorkom dat de discussie escaleert door gevoelige onderwerpen van tevoren goed af te bakenen. Wat voor jou als docent acceptabel is, is persoonlijk, maar maak dit van tevoren goed duidelijk aan je leerlingen. Zo heb je duidelijke richtlijnen waarmee je kunt ingrijpen als de discussie uit de hand loopt.
  3. Scholen: schuif niet alles af op de leraar maatschappijleer of levensbeschouwing! Het is een illusie dat gevoelige onderwerpen alleen op tafel komen bij de vakken waar ze ‘bijhoren’. Als er een staatsgreep of aanslag is gepleegd, gaan leerlingen niet rustig wachten tot hun maatschappijleerles van het zesde uur. Zorg dat alle leraren zich gesterkt voelen om dergelijke onderwerpen aan te snijden.
  4. Geef ruimte aan religie in je lessen. Zelf kan ik mij goed herinneren dat er bij geschiedenis op de middelbare school meer tijd werd besteed aan de gang naar Canossa (de wat? Precies ja) dan aan de islam. Tegenwoordig kom je daar als docent écht niet meer mee weg, zeker niet als je meerdere islamitische leerlingen in de klas hebt. Speel in op de behoefte van je leerlingen.
  5. Blijf gematigd. Discussies kunnen soms best fel worden, zonder dat ze uit de hand lopen. Zorg ervoor dat jij, de docent, niet de reden bent dat ze escaleren. Blijf gematigd en sta open voor de meningen van je leerlingen. Iedere scholier, van welke afkomst dan ook, zou het gevoel moeten hebben dat hij of zij vrijelijk voor zijn ideeën uit mag komen. Houdt hierbij natuurlijk altijd tip 2 in de gaten!

 

Deze blog is geïnspireerd door de publicatie “Een op de negen leraren vermijdt gevoelige onderwerpen” van de NOS. Citaten zijn ook uit dit artikel afkomstig. Om het hele artikel te lezen, klik hier

Visit Us On TwitterVisit Us On FacebookVisit Us On InstagramVisit Us On Linkedin